Roze in beeld

Les: Roze in beeld Maatschappijleer

Les 1: Hoezo Roze is anders?
Les 2: Coming Out
Les 3: Beeldvorming in de media

Les 1: Hoezo Roze is anders?

referentiekader - geheel van waarden, normen en opvattingen dat iemand heeft gevormd op basis van onder andere ervaringen. Dit kader bepaalt hoe hij, vaak onbewust, dingen waarneemt en beoordeelt.
vooroordeel — een oordeel dat voorafgaat aan de daadwerkelijke waarneming.
stereotype — vast beeld van iets of iemand dat niet helemaal met de werkelijkheid overeenkomt.
observeren — op aandachtige manier waarnemen met al je zintuigen.
Referentiekader — alles wat je bezit aan kennis, ervaringen, normen, waarden en gewoonten ( dit is als het ware de bril waardoor jij je informatie filtert, en wordt bijvoorbeeld door je opvoeding, je geloof, je vrienden, de media, etc. ingekleurd).

Inleiding

Bij dit hoofdstuk leer je dat NL een pluriforme samenleving is en dat betekent een samenleving waarbij we met veel verschillende mensen door elkaar wonen in een heel klein land, en hoe dit goed kan gaan, kan blijven gaan en soms ook niet goed gaat. Pluriforme betekent veelvormig, ook wel multicultureel, en daarmee denken we vaak alleen Hollanders, Marokkanen, Antillianen, etc. MAAR daarmee bedoelen we OOK boeren en stedelingen, jong en oud, rijk en arm, home en hetero etc. Of al deze verschillende mensen op een prettige, goede manier samenleven hangt voor een groot deel af van hoe we over elkaar denken en hoe we naar elkaar kijken, dat bepaalt namelijk of we de ander respecteren en dus of hij of zij zichzelf mag zijn.
Als voorbeeld van een groep in de maatschappij en hoe er naar hen gekeken wordt en over gedacht wordt in de samenleving gaan we de komende 3 lessen kijken naar de homo’s, lesbiennes en bi-seksuelen in onze samenleving.

Eerst maar eens wat beelden en ideeën van jullie van dichterbij bekijken.

Opdracht 1: Kaartjes

De docent heeft een stapel kaartjes met uitspraken, vragen en stellingen. Het is de bedoeling dat je aan de hand van een kaartje uitlegt wat jouw opvatting is over het onderwerp dat wordt aangekaart. De docent legt uit hoe het precies in zijn werk gaat.

Opdracht 2: Begrippen en foto’s

Lees de onderstaande begrippen en voorbeelden door:

Stereotype = vaststaand beeld van een hele groep mensen, aan wie je dus allemaal dezelfde kenmerken toeschrijft. Bijvoorbeeld jongens zijn druk en meisjes praten veel. Door stereotypen kunnen vooroordelen ontstaan.

Vooroordeel = over iemand (of iets) oordelen, zonder dat je die persoon (of zaak) hebt leren kennen. Bijvoorbeeld Piet is een jongen dus hij zal wel druk zijn. Fatima is een meisje dus zij zal wel veel kletsen. Of je stereotypen beelden hebt van groepen of vooroordelen hangt af van je referentiekader.

Bekijk de foto.
Wat zie je?
Wat voor gedrag zal deze persoon vertonen?
Wat voor beroep zal deze persoon hebben?



Bekijk de foto.
Wat zie je?
Wat voor gedrag zal deze persoon vertonen?
Wat voor beroep zal deze persoon hebben?



Bekijk de foto.
Wat zie je?
Wat voor gedrag zal deze persoon vertonen?
Wat voor beroep zal deze persoon hebben?



Bekijk de foto.
Wat zie je?
Wat voor gedrag zal deze persoon vertonen?
Wat voor beroep zal deze persoon hebben?



Bekijk de foto.
Wat zie je?
Wat voor gedrag zal deze persoon vertonen?
Wat voor beroep zal deze persoon hebben?



Bekijk de foto.
Wat zie je?
Wat voor gedrag zal deze persoon vertonen?
Wat voor beroep zal deze persoon hebben?



Reflectievraag:

Hoe komt het dat je zo dacht over deze mensen?
Kan jij dat al koppelen aan het begrip referentiekader?
Kan jij een voorbeeld geven van een milieu waar iemand uit komt en hoe dat hem/haar heeft beïnvloed?

Les 2: Coming Out

Inleiding

Als mensen iets waarnemen dan interpreteren zij meteen datgene wat zij waarnemen. Zij geven er een betekenis aan. Zij beoordelen of zij er wat mee moeten. Dat doen zij allemaal in een ogenblik. Zij knopen als het ware een oordeel vast aan hun waarneming. Dat is een heel nuttige eigenschap van mensen dat zij dit snel kunnen. Als je fietst op straat schat je op die manier tientallen situaties snel in en houdt rekening met de risico’s die je loopt bijvoorbeeld. Je schat in of het gewoon veilig is of dat je ergens op moet letten. Soms weet je niet eens dat je een gevaar hebt waargenomen, maar heb je er al op gereageerd. Vooral situaties die je vaak hebt meegemaakt, kan je snel inschatten.

Je lichaam reageert op de inschattingen die je hersens maken, als jij iets waarneemt. Is het onveilig dan wordt er adrenaline aangemaakt en kan je zeer snel reageren. Andere functies in je lichaam komen even op een laag pitje te staan. Als je moet vluchten, vechten of verstijven dan heb je niets aan lang nadenken. Afhankelijk van het gevaar dat je bedreigt, reageer je met je lichaam door weg te rennen, de strijd aan te gaan of helemaal niets te doen. Iedereen kent dat soort reacties wel bij onverwachte momenten waarop je heftig schrikt.

Die snelle afweging die we als mensen kunnen maken, is in de meeste gevallen erg prettig. Maar er kleven ook nadelen aan. We denken een veilige of onveilige situatie te herkennen, maar blijken ons te vergissen. Ons lichaam reageert precies averechts. Zo reageren mensen die erg last hebben van faalangst bij een toets alsof het een onveilige situatie is en zij kunnen dus niet meer rustig nadenken. Maar dat is niet handig.

Horrorfilms, thrillers en dergelijke spelen vaak handig in op dit soort gevoelens. Er wordt eerst een veilige situatie geschetst. Er lijkt niets aan de hand, als je kijkt. Maar tegelijk wordt er via de geluidsband een ander signaal gegeven door muziek of een specifiek geluid. En uiteindelijk barst de ellende los.

Kortom waarnemingen die je doet, worden beïnvloed door ervaringen die je hebt opgedaan, opvattingen die je hebt en bijvoorbeeld ook door wat mensen willen dat je ziet.

Daar gaat deze les verder op in.

Observeren = op aandachtige manier waarnemen met al je zintuigen.

Twee videofragmenten observeren.

Je gaat twee videofragmenten zien. Het is de bedoeling dat je eerst per fragment zo precies mogelijk gaat opschrijven wat je feitelijk ziet. Daarna beschrijf je welke karaktertrekken je bij de persoon of personen uit het fragment hebt gezien. Tenslotte bedenk je of je ook stereotype beelden hebt gezien en welke dat waren. Je vult dat bij elk fragment telkens in die volgorde in.

Het fragment wordt eerst vertoond en daarna krijg je telkens de tijd om alles in te vullen. Tijdens het kijken mag je natuurlijk aantekeningen maken als je dat prettig vindt. Doe dat zoveel mogelijk in steekwoorden, zodat je niet afgeleid wordt tijdens het kijken.

Je vult je observaties, karakterbeschrijvingen en stereotypen in het schema in.

Bekijk het fragment
Welke reacties heb je gezien?
Welke reactie vond jij goed?
Met welke reactie was jij het (on)eens? Licht je antwoord toe.

Bekijk het fragment
Wat zie je?
Welke karaktertrekken heeft deze persoon?
Welke stereotypen heb je gezien?


Reflectievraag na het bekijken van de fragmenten.

1. Wat leverde het observeren van de fragmenten je op aan inzichten?

2. Kwamen de geobserveerde stereotypen overeen met je verwachtingen vooraf? Leg uit waarom dat wel of niet het geval was.

3. Toen de persoon uit fragment 2 bekend maakte homoseksueel te zijn, kreeg hij heel veel aandacht in de media. Geef een aantal redenen waarom hij zoveel media-aandacht kreeg.

4. Bedenk eens beroemde personen die veel minder aandacht in de media zouden hebben gekregen dan deze persoon.

5. Welke beroemde personen ken jij die homoseksueel zijn?
a. Noem er drie.
b. Geef bij alle drie aan welke stereotype beelden van homoseksuelen op hen van toepassing zijn. Als er geen stereotype beelden van homoseksuelen op hen van toepassing zijn, leg dan kort uit waardoor dat komt volgens jou.

Huiswerk

Zoek uit op welke manier homoseksuelen de afgelopen maand in het nieuws zijn geweest. Je kunt zoeken bij journaals, tv-programma’s, kranten en tijdschriften. Maak deze opdracht het liefst met twee of drie andere leerlingen. Maak afspraken wie welke media uitzoekt. Als het bijvoorbeeld om kranten gaat: kan de één bijvoorbeeld zoeken bij De Telegraaf en een ander bij De Volkskrant. Ga je journaals uitzoeken, dan kan je de dagen over elkaar verdelen. Zorg dat je groep in totaal twaalf artikelen/fragmenten heeft. Geef de bronnen bij elk artikel of fragment goed aan. Stuur je gegevens voor de volgende les op naar de docent.

Les 3: Beeldvorming in de media

Injectienaaldtheorie — Deze mediatheorie gaat er van uit dat de boodschap die je wilt overbrengen, het beste door middel van veelvuldige herhaling als het ware druppelsgewijs ingebracht kan worden bij de ontvanger. De ontvanger zal dan op den duur die boodschap als zijn eigen mening gaan zien.

Glittering generality — over iets of iemand spreken met een positieve invalshoek of aanduiding. (bijv. de deskundige minister)

Transfer — Iets of iemand meer acceptabel maken door deze te verbinden aan positieve eigenschappen (deugdzaamheid, prestige, autoriteit). De positieve eigenschappen van dit andere object worden overgebracht op het betreffende object. (Bijv. bier verbinden met vriendschap en gezelligheid)

Bandwagon — Achterliggend idee is dat mensen zich graag aansluiten bij iets nieuws. Men wil niet achterlopen op de rest. Dus wordt gesuggereerd dat iedereen (uit jouw groep) het ook wel zal willen. Er wordt gesuggereerd dat er een nieuwe trend is, die je niet mag missen. (Bijvoorbeeld, je moet de nieuwste smartphone hebben.)

Antwoorden van de huiswerkopdracht categoriseren. Jullie krijgen van je docent een lijst met alle opgestuurde artikelen, nieuwsberichten enz. uit de media. Jullie gaan de lijst met gegevens die jullie van de docent krijgen verdelen over verschillende categorieën.

Bekijk vier fragmenten

Kies twee fragmenten uit voor de vragen op het werkblad. Beantwoord die alleen of met een andere leerling samen. Na afloop bespreekt de klas de gevonden antwoorden.

GTST Lucas en Edwin



Geer en Goor over de vloer



Danny & Gay Parade



Paul de Leeuw & Bart Peters



Welk filmfragmenten heb je bekeken?
Beantwoord de onderstaande vragen voor beide tv-fragmenten..
Voor beide tv-fragmenten leg je uit welke beeldvorming er te zien is. Of die invloed heeft op de kijker en op welke manier. Of die invloed positief of negatief is. En tenslotte met welke middelen de makers deze beeldvorming inzetten.

Welke beeldvorming haal je uit dit programma?
Heeft deze beeldvorming invloed op de kijker? Licht toe.
Is de beeldvorming positief of negatief? Licht toe.
Op welke manier sturen de programmamakers de beeldvorming?

• Bandwagon
• Transfer
• Glittering generality.

Licht je antwoord toe.

Afsluiting

Jullie hebben uitgezocht en ontdekt hoe media mensen op bepaalde manieren kunnen beïnvloeden. We hebben het laten zien ten aanzien van een bepaalde bevolkingsgroep: homoseksuelen. Vanzelfsprekend gebeurt beïnvloeding nog op veel ander manieren en over veel meer groepen. Er bestaat veel beeldvorming over (groepen) mensen, zowel op een positieve als op negatieve manier. Het begrijpen dat die beeldvorming plaats vindt, geeft je de mogelijkheid om te doorzien hoe media een bepaalde boodschap voor het voetlicht brengen en met welke bedoeling zij dat doen. Media bepalen dus voor een deel hoe er over mensen wordt gedacht. Hoe mensen over elkaar denken heeft veel invloed op hoe we met elkaar omgaan. Inzicht daarin is van belang voor een samenleving om mensen minder afhankelijk te maken van beeldvorming door de media.

Babs de Graaff
Jos de Pater
Alberdingk Thijm College, Hilversum